Taalsignaal 4b thema 14: taalbeschouwing: het onderwerpoefenstof logo transp 79-50 2,4cm.gif

Zoek het paswoord (B. Meyns)

Lees aandachtig de uitleg en maak de invuloefeningen.
Druk dan op "controleer" als je klaar bent. Als alles juist is, krijg je een paswoord. Noteer dit.
Je kunt ook op de "[?]"-knop drukken om een aanwijzing te krijgen.

meisjegitaar.gifWie speelt gitaar? Elise. "Elise" is het onderwerp.
Wie of wat doet iets? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.
Voorbeeld:
De vrolijke jongen gaat huppelend naar huis. Wie gaat? De vrolijke jongen. Dus: "De vrolijke jongen" is onderwerp.
Het onderwerp bestaat soms uit meerdere woorden! Het lidwoord en het bijvoeglijk naamwoord die bij jongen (zelfstandig naamwoord) horen, maken ook deel uit van het onderwerp!
Lees hier meer over het onderwerp.

Schrijf per zin het onderwerp op.
Let op: het onderwerp bestaat dikwijls uit meer dan één woord: bv. de man, de vliegende schotel, het komisch duo, ...

De politie vat de twee gangsters.
De gasten werden bestolen.
De kinderen kleuren voor Levenslijn.
Gisteren reed de man door een rood licht.
De auto staat stil naast het huis.
In de zon liggen de kinderen liever lui in het gras.
De regen klettert op de ruiten.
Vandaag werken we veel aan onze oefeningen.
Gisteren ging Jan alleen naar school.
Met veel geraas stortte het groot gebouw in.
Waarom miauwt onze poes?
Daarna gingen we vlug naar huis.
Ik vertrouw die man helemaal niet.
Dat doelpunt werd afgekeurd.
We zullen niet meer aanbellen.
De vrolijke baby weent bijna nooit.
Verbaasd keek ze naar buiten.
De poes sprong op de kast.
Ze hebben hem nochtans 10 euro gegeven.

Als je alles juist hebt, dan krijg je een paswoord van de computer.
Vergeet niet dit paswoord op je blad te noteren ...